Wiskunde 1F

Getallen
 
Je kent de schrijfwijze en uitspraak van cijfers, getallen, en breuken.
Je begrijpt hoe de getallen vanaf tien worden opgebouwd uit de cijfers nul tot en met negen.
Je kent de wiskundige symbolen voor rekenkundige bewerkingen.
Je hebt een voorstelling van de grootte van hele getallen en kommagetallen.
Je maakt van een verhaaltjessom een rekensom en rekent die uit.
Je beredeneert of je uitkomst van een verhaaltjessom logisch is.
Je kunt uit je hoofd, op papier en met de rekenmachine vermenigvuldigen, delen, optellen en aftrekken met hele getallen, kommagetallen en breuken.
Je weet hoe je sommen over tijd, geld, afstand en inhoud uitrekent.
Je kunt schattend rekenen en beredeneert of je antwoorden logisch zijn.
Je weet wat ‘rest’ betekent na een deelsom.

Verhoudingen

Je weet hoe je kommagetallen en procenten schrijft.
Je herkent verhoudingen in situaties uit het dagelijks leven.
Je weet welke verhoudingen door procenten worden uitgedrukt.
Je kunt eenvoudige breuken omzetten in procenten en omgekeerd.
Je kunt verhoudingen omzetten in procenten.
Je weet het verband tussen hele getallen, breuken en procenten.
Je lost sommen op waar verhoudingen in voorkomen.
Je brengt getallen met elkaar in verhouding.

Meten en meetkunde

Je kent de meeteenheden voor lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, temperatuur, tijd en geld.
Je kunt meeteenheden van meetinstrumenten aflezen.
Je kunt lengte, inhoud, gewicht, temperatuur en tijd opmeten.
Je herkent meeteenheden in het dagelijks leven.
Je drukt maten en hoeveelheden uit met de juiste meeteenheden.
Je kunt lengte en geldbedragen in kommagetallen uitdrukken.
Je begrijpt het verband tussen lengte-, oppervlakte- en inhoudsmaten.
Je kunt tweedimensionale afbeeldingen van ruimtelijke figuren tekenen.
Je kunt de afmeting van voorwerpen schatten.
Je berekent de oppervlakte en omtrek van rechthoekige figuren.
Je kunt een route volgen en uitstippelen op een kaart.

Verbanden

Je weet hoe je informatie haalt uit tabellen, grafieken en diagrammen.
Je begrijpt hoe eenvoudige grafieken en diagrammen in elkaar zitten.
Je tekent een grafiek bij een verhaaltje over veranderingen of ontwikkelingen.
Je maakt van samenhangende informatie een tabel.
Je maakt een staafdiagram van informatie uit een tabel.
Je weet hoe je informatie haalt uit grafieken, tabellen of staafdiagrammen.
Je geeft de juiste naam aan herkenbare patronen.