Wiskunde 2F

Getallen

Je kunt rekenen met negatieve getallen, wortels en machten.
Je kent de wiskundige vergelijkingssymbolen.
Je kent het getal pi.
Je kunt grote getallen uitspreken en ermee rekenen.
Je weet wat een getal in een praktische situatie betekent.
Je weet hoe je getallen afrondt en wanneer je iets afrondt.
Je rekent met negatieve getallen, breuken, procenten en wortels.
Je vergelijkt uitkomsten van berekeningen met wat logisch is in de praktijk.
Je werkt op de rekenmachine met bekende wiskundige functies.

Verhoudingen
 
Je weet wat een schaal is.
Je weet hoe verhoudingen worden uitgedrukt. 
Je kent de betekenis van breuken, kommagetallen en procenten.
Je weet wat de teller en noemer van een breuk uitdrukken.
Je weet wat stambreuken zijn.
Je kunt de grootte van breuken, kommagetallen en procenten met elkaar vergelijken.
Je kunt met breuken en procenten rekenen.
Je kunt de rekenmachine gebruiken voor breuken en procenten.
Je weet hoe maten worden samengesteld uit andere maten (tijd, gewicht, lengte enz.).
Je kunt rekenen met een schaal.
Je kunt vergrotingen berekenen.
Je weet wanneer je procenten wel of niet bij elkaar kunt optellen.

Meten en meetkunde

Je kent de belangrijkste symbolen voor hoeken en lijnen.
Je kent de namen van elementaire vlakke en ruimtelijke figuren.
Je kunt ruimtelijke figuren op papier tekenen.
Je kunt hoeken meten en tekenen.
Je weet hoe je passer, liniaal en geodriehoek gebruikt.
Je kent de namen van verschillende soorten hoeken.
Je kent de betekenis van omtrek, oppervlakte en inhoud.
Je leest tekeningen op schaal (bijvoorbeeld werktekeningen en landkaarten).
Je kent het metrieke stelsel.
Je kunt oppervlakte en inhoud van elementaire vlakke en ruimtelijke figuren berekenen.
Je kent speciale maten en eenheden die in de praktijk veel gebruikt worden, bijvoorbeeld voor snelheid en geheugen van computers.
Je kunt schattingen maken van lengte, afstand, oppervlakte.
Je kunt maten en eenheden toepassen in alledaagse situaties.
Je kunt regelmatige patronen uitbreiden.
Je kunt een doorsnede tekenen.
Je kunt een parallelprojectie maken.

Verbanden

Je beschrijft met wiskundige termen het verloop van een grafiek.
Je kunt staaf-, beeld-, lijn- en cirkeldiagrammen lezen.
Je berekent de helling van een grafische lijn.
Je kunt een tweedegraads vergelijking in een grafiek weergeven.
Je geeft informatie uit een verhaal, formule of tabel weer in een grafiek. 
Je vormt een eigen mening over informatie uit een grafiek, tabel of diagram.
Je kunt berekeningen uitvoeren met de abc-formule.
Je kunt berekeningen uitvoeren met standaard logaritmische en exponentiële functies.
Je kunt formules oplossen door de termen te ontbinden.
Je kunt de tangens, sinus en cosinus van een hoek berekenen.
Je kunt evenredige en procentuele groei berekenen.
Je kent de wiskundige termen bij eigenschappen van een grafiek.
Je kunt kansproblemen oplossen met kansberekening.