Wiskunde 3F

Getallen
   
Je weet hoe je grote getallen noteert.
Je weet welke functie wiskundige symbolen hebben in formules.
Je kiest de goede wiskundige oplossing voor berekeningen in complexere situaties.
Je kunt met behulp van computerprogramma’s informatie opzoeken, verwerken en presenteren
Je kunt werken met Excell en een grafische rekenmachine

Verhoudingen

Je kunt hoeveelheden voorstellen met een schema of diagram.
Je kunt kansproblemen analyseren en voorstellen met een schema, diagram of vaasmodel.
Je kunt de statistische waarde van steekproeven beoordelen.
Je kunt afzonderlijke waarnemingen onderbrengen in een diagram of grafiek.
Je kunt de grafische verwerking van waarnemingen interpreteren.
Je weet hoe je het normale verdelingsmodel gebruikt voor berekening van kansen, frequenties, gemiddelden en standaardafwijkingen.
Je kunt permutaties en combinaties onderscheiden en berekenen.
Je kent de rekenregels waarmee je kansen en verwachtingen voorstelt.
Je kunt kansen weergeven met een binomiaal kansmodel.

Meten en meetkunde

Je kunt aanzicht, uitslag en vlakke doorsnede van een ruimtelijk object tekenen.
Je kunt tekeningen van een ruimtelijk object interpreteren.
Je kunt eigenschappen van een ruimtelijk object uit tekeningen afleiden.
Je kunt aan de hand van tekeningen ruimtelijke berekeningen maken.
Je kunt de oppervlakte van platte en ruimtelijke figuren berekenen.
Je kunt de inhoud van ruimtelijke figuren berekenen.
Je leidt uit tekeningen op schaal de oppervlakte en inhoud af.

  
Verbanden

Je kunt informatie uit een tekst omzetten in een tabel of grafiek.
Je kunt informatie uit verschillende grafieken en teksten combineren.
Je kunt stijgingen, dalingen, maxima en minima uit een grafiek halen en interpreteren.
Je kunt het verloop van een grafiek aan wiskundige termen koppelen.
Je kunt contexten over veranderingen aan wiskundige termen koppelen.
Je kunt kansproblemen analyseren en voorstellen met een schema, diagram of vaasmodel.
Je kunt de statistische waarde van steekproeven beoordelen.
Je kunt de grafische verwerking van waarnemingen interpreteren.
Je weet hoe je het normale verdelingsmodel gebruikt voor berekening van kansen, frequenties, gemiddelden en standaardafwijkingen.
Je kunt permutaties en combinaties onderscheiden en berekenen.
Je kent de rekenregels waarmee je kansen en verwachtingen voorstelt.
Je kunt kansen weergeven met een binomiaal kansmodel.
Je kunt werken met machtsfuncties, exponentiële logaritmische en goniometrische functies.
Je kunt veranderingen beschrijven door afgeleiden.
Je bepaalt de afgeleide van een polynoom en van goniometrische functies met behulp van de regels voor differentiëren.
Je weet hoe je waarden berekent door substitutie in een formule.
Je kunt formules opstellen en grafieken tekenen bij lineaire verbanden.
Je kunt berekeningen maken met behulp van lineaire verbanden.
Je kunt werken met interpolatie en extrapolatie.
Je kunt met formules ongelijkheden oplossen.
Je kunt exponentiële processen beredeneren.
Je kunt werken met lineaire en logaritmische schalen.
Je kunt verbanden onderbrengen in gebroken lineaire functies en machtsfuncties.