NT2 - Lezen

     
    Wat kan je lezen en begrijpen?
     
    Hoe ziet de tekst eruit?
   A1  De tekst gaat over dingen die voor jou heel bekend zijn.
    De tekst is kort en simpel.
    In de tekst staan korte en simpele zinnen met woorden die je vaak gebruikt.
    Er worden vaak plaatjes/foto’s gebruikt.
     
   A2 De tekst gaat over dingen die voor jou bekend zijn.
    De tekst is kort.
    In de tekst staan vooral woorden die je vaak gebruikt.
    De structuur van de tekst is duidelijk.
    Er worden vaak plaatjes/foto’s gebruikt.
     
  B1 De tekst gaat over bekende dingen.
    De tekst kan ook langer zijn.
    De woorden zijn simpel en je gebruikt die zelf ook vaak.
    De structuur van de tekst is duidelijk te herkennen.
     
    Berichten lezen
   A1 -
     
   A2 Je kan informatie vinden in advertenties, roosters, menu’s, je kunt mededelingen begrijpen die je tegenkomt op school, stage, op straat of in winkels.
    Je begrijpt korte mededelingen over stage/school/lessen.
    Je begrijpt een lesrooster/stagerooster.
    Je begrijpt roosterwijzigingen en vakantiedata.
    Je begrijpt informatie op posters in de school, supermarkt, stage of op straat.
    Je begrijpt informatie over regels op school/ in een kantine/op je stage.
    Je begrijpt de menukaart en aanbiedingen in een kantine of restaurant.
    Je kunt straat- of plaatsnamen opzoeken voor de bus/trein en mededelingen daarover begrijpen.
    Je begrijpt formulieren.
    Je begrijpt een afspraakkaart van de dokter/tandarts/ reparateur.
    Je begrijpt simpele berichten in de krant van de gemeente of bekende dingen.
    Je kunt simpele advertenties begrijpen over spullen of woonruimte.
    Je begrijpt informatie uit je woordenboek.
     
  B1 Je kan beschrijvingen van gebeurtenissen/gevoelens/wensen in persoonlijke berichten goed begrijpen.
    Je kunt informatie in zakelijke brieven goed begrijpen.
    Je begrijpt een kaart/ brief of e-mail van een docent/leerling/familie/vrienden/stagebegeleider, ook als die brief heel persoonlijk is.
    Je begrijpt een klachtenbrief.
    Je begrijpt een opdracht van je school of opleiding/stage.
    Je kan een formele/officiële brief van de bank, woningbouw, opleiding etc. begrijpen.
     
    Lezen in dagelijks leven
   A1 Je kan bekende namen, woorden en zinnen lezen in mededelingen die je tegenkomt op school, op stage, op straat of in winkels.
    Je begrijpt korte mededelingen over stage/school/lessen.
    Je begrijpt een lesrooster/stagerooster.
    Je begrijpt informatie op posters in de school, supermarkt, stage of op straat.
    Je begrijpt informatie uit een agenda, televisiegids of weerbericht.
    Je begrijpt prijslijsten en aanbiedingen in een kantine of restaurant.
    Je kunt straat.. of plaatsnamen opzoeken voor de bus/trein.
    Je begrijpt een inschrijfformulier. Je begrijpt een afspraakkaart van de dokter/tandarts/ reparateur.
    Je begrijpt etiketten, bankafschriften of kassabonnen.
     
   A2 Je kunt informatie begrijpen van simpele teksten in advertenties, brieven of krantenartikelen.
    Je begrijpt het belangrijkste van een kort stuk in de krant.
    Je begrijpt een simpele vacature.
    Je begrijpt de informatie uit een tekst over werk/opleiding of stage.
    Je begrijpt informatie uit de schoolkrant.
    Je begrijpt informatie over je nieuwe opleiding.
    Je begrijpt een leestekst of school/reclametekst of folder.
     
   B1 Je kan informatie vinden in brieven, brochures, en officiële documenten.
    Je begrijpt een mededeling op school/stage/je nieuwe opleiding.
    Je begrijpt de informatie in een brochure/folder/brief van je school/stage/nieuwe opleiding.
    Je kunt informatie vinden in brieven of folders van gemeente/woningbouwvereniging/IND/COA.
     
    Lezen voor informatie
   A1 Je kunt informatie gebruiken van simpele teksten.
    Je begrijpt het belangrijkste van een stukje in de krant. Je begrijpt de informatie uit een brief van een ouderavond/schoolreis/ feest/ stage. Je begrijpt informatie van een korte tekst over opleiding/stage/zwemles. Je begrijpt een simpele tekst waarin een verhaal wordt verteld.
   A2 Je kunt informatie begrijpen van simpele teksten in advertenties, brieven of krantenartikelen.
    Je begrijpt het belangrijkste van een kort stuk in de krant. Je begrijpt een simpele vacature. Je begrijpt de informatie uit een tekst over werk/opleiding of stage. Je begrijpt informatie uit de schoolkrant. Je begrijpt informatie over je nieuwe opleiding. Je begrijpt een leestekst of school/reclametekst of folder.
   B1 Je kunt informatie begrijpen van artikelen/krantenberichten.
    Je begrijpt een artikel over jouw opleiding, hobby’s, stage, werk of iets wat je interessant vindt. Je begrijpt een vacature of personeelsadvertentie.Je begrijpt een folder/brochure van je werk/stage. Je begrijpt de informatie op websites van je werk/stage/opleiding/iets wat jij interessant vindt. Je begrijpt de informatie bij schema’s/tabellen/grafieken. Je begrijpt een folder/brochure van je vervolgopleiding. Je begrijpt de ondertiteling van televisie
     
    Instructies lezen
   A1 Je begrijpt wat je moet doen en doet dat ook zo.
    Je begrijpt de instructies uit een boekje op school/stage. Je begrijpt de instructies uit een lesboek (een opdracht/wat je moet doen). Je begrijpt een routebeschrijving. Je begrijpt de instructies in het verkeer. Je begrijpt instructies van een sticker op een apparaat/pot.
   A2 Je begrijpt wat je moet doen en doet dat ook zo.
    Je begrijpt instructies van apparaten waar je mee werkt op school of op je stage. Je begrijpt de regels van de school/stage. Je begrijpt instructies uit je lesboek. Je begrijpt de instructies van de computer. Je begrijpt de instructies van automaten, bv om geld te pinnen of een kaartje te kopen. Je begrijpt een recept om iets te koken.
   B1 Je begrijpt wat je moet doen en doet dat ook zo .
    Je begrijpt instructies van apparaten waar je mee werkt op school of op je stage. Je begrijpt veiligheidsinstructies op je werk/stage. Je begrijpt een gebruiksaanwijzing van een apparaat (bv een mobiele telefoon, televisie). Je begrijpt de bijsluiter van medicijnen.