NT2 - Luisteren

     
    Waar kan je naar luisteren en begrijpen?
     
    Hoe ziet de luistertekst eruit?
   A1  De tekst gaat over dingen die voor jou heel bekend zijn.
    De tekst is kort en de taal is simpel.
    Er zijn veel pauzes tussen de zinnen.
    De spreker spreekt langzaam en duidelijk.
   A2 De tekst gaat over dingen die voor jou bekend en belangrijk zijn.
    De tekst is kort en de taal is simpel.
    De spreker spreekt rustig en duidelijk.
    Je begrijpt onbekende woorden omdat je een groot deel van de tekst begrijpt.
  B1 De tekst gaat over dingen die voor jou bekend zijn, over werk, stage of jouw interesses.
    De tekst is niet al te lang en de taal is simpel.
    De tekst over eigen werk, stage of interesses kunnen iets moeilijker zijn.
    De spreker spreekt in normaal tempo maar niet met een accent.
    Je begrijpt onbekende woorden, omdat je veel van het onderwerp begrijpt.
     
     
    Luisteren naar mededelingen en instructies
   A1 Je kan instructies begrijpen die je hoort op school, stage en op straat. Als de spreker langzaam en duidelijk tegen jou praat, doe je wat de spreker vraagt.
    Je begrijpt korte mededelingen over stage/school/lessen, bijvoorbeeld schoolregels of welke bladzijde of oefening je moet opzoeken.
    Je begrijpt een simpele uitleg over hoe je ergens komt.
    Je kunt namen, getallen, prijzen en bekende woorden verstaan.
    Je begrijpt simpele waarschuwingen, zoals ‘pas op’, ‘kijk uit’, ‘niet doen’.
  A2 Je kan mededelingen die je hoort op school, stage en op straat begrijpen. Je begrijpt wat je moet doen en doet dat ook zo.
    Je begrijpt korte mededelingen over stage/school/lessen, bijvoorbeeld data en tijd van afspraken.
    Je begrijpt een korte uitleg op school, stage of op straat.
    Je begrijpt hoe je een opdracht moet doen.
    Je begrijpt de uitleg van een dokter over medicijnen.
    Je begrijpt waar je mensen, dingen of gebouwen kunt vinden als iemand dat aan jou vertelt.
    Je begrijpt wat de politie of iemand in het verkeer je vertelt, je doet wat je moet doen.
    Je begrijpt de uitleg over hoe een apparaat werkt als iemand dat bij het apparaat uitlegt.
     
   B1 Je kan simpele technische informatie begrijpen. Je begrijpt in detail wat je moet doen en doet dat ook zo.
    Je begrijpt duidelijke informatie over stage/school/reizen.
    Je begrijpt de uitleg over voorbereiding op toetsen en werkstukken en hoe cijfers worden berekend.
    Je begrijpt telefonische reisinformatie.
    Je begrijpt duidelijke aanwijzingen en opdrachten.
    Je begrijpt hoe een automaat werkt en wat je moet doen als hij niet werkt.
    Je begrijpt een routebeschrijving met veel details en veel overstappunten.
    Je begrijpt hoe je je werk moet doen en in welke volgorde.
    Je begrijpt de uitleg van iemand over hoe een (nieuw) apparaat werkt.
    Je begrijpt de uitleg over hoe je een nieuw programma installeert op de computer.
     
    Gesprekken begrijpen van Nederlanders
   A1 -
     
     
   A2 Je begrijpt waar het gesprek over gaat als iemand langzaam en duidelijk praat.
    Je begrijpt gesprekken over het weer en andere alledaagse gesprekken op straat, op school en stage.
     
   B1 Je begrijpt de hoofdpunten van een gesprek of discussie als het onderwerp bekend of interessant voor jou is.
    Je begrijpt gesprekken tussen collega’s tijdens een werkoverleg.
    Je begrijpt een gesprek tussen Nederlanders van jouw leeftijd over bijvoorbeeld popmuziek.
    Je begrijpt discussies over een actueel onderwerp, bijvoorbeeld over drugs.
     
     
     
    Luisteren naar tv, radio en filmpjes
   A1 -
     
   A2 Je begrijpt de informatie die voor jou belangrijk is van radio, tv en telefoon.
    Je begrijpt informatie over het weer, (openbaar) vervoer, verkeer en sport op radio of op een station.
    Je begrijpt informatie op tv (beeld en geluid) over bekende personen, plaatsen en over rampen.
    Je begrijpt een filmpje met een simpele uitleg over hoe je iets moet doen.
    Je begrijpt een telefooncomputer die jou moet doorverbinden.
    Je begrijpt een telefooncomputer of antwoordapparaat dat vertelt over openingstijden.
     
   B1 Je begrijpt de hoofdpunten en belangrijke details van radio- en tv-programma’s.
    Je kunt het verhaal van een film volgen als de taal niet te moeilijk is en er niet te snel wordt gesproken.
    Je begrijpt een verhaal op de radio over een sportheld of popster.
    Je begrijpt verkeersinformatie op de radio. Je begrijpt een soap, een simpele documentaire of informatief programma van de schooltelevisie.
    Je begrijpt een film met uitleg over hoe je moet werken bijvoorbeeld hoe je omgaat met klanten.
    Je begrijpt een jeugdfilm of avonturenfilm met een simpel verhaal of een reclamefilmpje met een duidelijke verhaal.
     
     
    Luisteren als lid van een live publiek
   A1 -
     
     
   A2 -
     
   B1 Je begrijpt algemene en belangrijke informatie in praatjes over onderwerpen die bekend zijn of je interesseren.
    Je begrijpt een proef of onderzoek tijdens een gastles.
    Je begrijpt de werking van een nieuw apparaat in een presentatie op je werk of stage.
    Je begrijpt de presentatie van een student/leerling over een project.
    Je begrijpt de uitleg van een collega op werk/stage over een probleem in het dagelijkse werk.
    Je begrijpt een praatje over veiligheid op werk of stage.