NT2 - Schrijven

     
    Wat schrijf je?
     
    Brieven, kaartjes en e-mails
   A1  Je schrijft een heel simpel briefje/e-mail/kaartje over iets wat je goed weet.
     
   A2 Je schrijft een kort briefje /e-mail aan collega’s / medeleerling over bedankje / excuses / afwezigheid / afspraak.
    Je schrijft een ansichtkaart.
    Je schrijft een kort briefje / e-mail aan docent over vrij vragen / afwezigheid.
     
   B1 Je schrijft een brief aan een docent om iets te regelen of te vragen.
    Je schrijft een brief naar een stage/school/opleiding om informatie te vragen.
    Je schrijft een brief over een klacht. Je schrijft een simpele sollicitatiebrief.
    Je schrijft een brief om een product te bestellen.
    Je schrijft een persoonlijke brief met ervaringen en emoties.
    Je schrijft een brief naar familie/kennis over eigen ervaringen (familiefeest, familieproblemen etc.).
    Je schrijft een brief met instructies.
     
     
    Aantekeningen, berichten en formulieren
     
  A1 Je schrijft de tijd/datum/locatie van een afspraak op.
    Je maakt een korte aantekening. Je vult je eigen basisgegevens in op een formulier.
    Je schrijft basisgegevens op van andere personen. Je schrijft een notitie in je agenda.
    Je schrijft een simpele advertentie.
    Je schrijft een kort briefje aan familie/kennissen/buren. Je vult gegevens voor betaalopdrachten in.
    Je maakt een notitie bij telefoongesprek.
     
   A2 Je schrijft een bestelling/opdracht op.
    Je schrijft een boodschap op van collega/docent/medeleerling.
    Je vult gegevens in op een aanmeldingsformulier.
    Je maakt aantekeningen van een les.
    Je schrijft een notitie/aantekeningen van een gesprek.
    Je schrijft een simpel briefje voor een nieuwsbrief/advertentie/prikbord.
    Je schrijft huiswerk/afspraak op in agenda.
    Je schrijft een e-mail/briefje naar vrienden over boodschappen, hobby’s, sporten, een afspraak.
     
   B1 Je schrijft iets over werk/school/stage.
    Je schrijft aankondiging over een feest/gebeurtenis.
    Je vult een formulier in om je op te geven voor een stage/sport/opleiding/etc.
    Je schrijft oproep voor een (protest)actie. Je schrijft aankondiging/advertentie voor in een krant.
    Je schrijft een brief aan een docent over huiswerk of schoolwerk.
    Je vult een klachtenformulier in.
     
     
     
    Vrij schrijven
   A1 Je schrijft een antwoord op simpele vragen.
    Je beschrijft jezelf of iemand anders.
     
  A2 Je schrijft iets over stage, opleiding of school.
    Je schrijft een verhaaltje bij een foto/plaatje.
    Je schrijft een kort verhaal over jezelf of je eigen familie
     
   B1 Je schrijft een simpele tekst voor een nieuwsbrief/schoolkrant over bv. schoolreis, kamp, roken op school, open dag.
    Je schrijft voor een nieuwsbrief of schoolkrant een verslag over bv. sportdag, open dag, stage, feest.
     
    Verslagen en rapporten
  A1 -
  A2 -
  B1 Je schrijft een verslag of rapport over activiteiten op school, werk of stage.
    Je maakt een verslag van een praktijkopdracht.
    Je maakt een verslag van een stage.
     
    Hoe schrijf je?
     
    Woorden
  A1 Je schrijft alleen woorden op die je heel vaak tegenkomt.
  A2 Je schrijft woorden op die je vaak tegenkomt. Je schrijft woorden op die bij elkaar horen.
  B1 Je schrijft veel verschillende woorden. Je gebruikt goede beschrijvingen.
     
    Toon
   A1 -
   A2 -
   B1 Je gebruikt de juiste woorden voor de juiste situatie (bv. u of jij).
     
    Grammatica
   A1 Je schrijft losse woorden op en woorden die bij elkaar horen.
    Je schrijft de woorden in de zin nog door elkaar, alleen bij zinnen die je vaak gebruikt staan de woorden goed.
    Je schrijft werkwoorden die je heel vaak gebruikt soms goed op.
    Je schrijft heel soms het goede werkwoord op bij de goede persoon.
    Je schrijft heel soms ‘de’, ‘het’, ‘een’ voor een woord en je schrijft heel soms goede combinaties van woorden met bijvoorbeeld ‘voor’, ‘in’, ‘op’, ‘naast’.
     
  A2 Je schrijft korte en simpele zinnen.
    Je schrijft woorden in de zin in goede volgorde, alleen bij zinnen die je vaak gebruikt.
    Je schrijft werkwoorden die je heel vaak gebruikt goed op.
    Je schrijft het goede werkwoord bij de goede persoon.
    Je schrijft soms de goede ‘de’, ‘het’, ‘een’ voor een woord.
    Je schrijft goede combinaties van woorden die je vaak gebruikt, met bijvoorbeeld ‘voor’, ‘in’, ‘op’, ‘naast’, etc.
     
  B1 Je schrijft goede zinnen en soms ook langere zinnen.
    Je schrijft woorden in de zin in de goede volgorde, ook bij zinnen die een andere volgorde hebben.
    Je schrijft werkwoorden goed, behalve werkwoorden die erg veranderen.
    Je schrijft het goede werkwoord bij de goede persoon.
    Je schrijft bijna altijd de goede ‘de’, ‘het’, ‘een’ voor een woord. Je schrijft de goede combinaties van woorden
     
    Spelling
   A1 Je schrijft bekende woorden goed over.
    Je schrijft je eigen basisgegevens goed.
    Je schrijft soms hoofdletters en punten.
     
   A2 Je schrijft woorden en zinnen goed over.
    Je schrijft persoonlijke gegevens goed.
    Je schrijft woorden die je vaak gebruikt vaak goed.
    Je schrijft hoofdletters en punten.
     
   B1 Je schrijft veel woorden goed, maar maakt nog wel fouten.
    Je schrijft meestal de goede leestekens (!,:.?:).
     
    Meer zinnen
   A1 Je schrijft soms ‘en’ of ‘dan’ tussen twee zinnen.
    Je schrijft heel soms aanwijswoorden als ‘die’, ‘zij’, ‘hij’, ‘het’, ‘haar’.
    De zinnen horen nog niet goed bij elkaar.
     
   A2 Je schrijft soms ‘omdat’ of ‘want’ tussen twee zinnen.
    Je schrijft aanwijswoorden als ‘die’, ‘zij’, ‘hij’, ‘het’, ‘haar’.
    De zinnen horen bij elkaar.
     
   B1 Je schrijft meestal de goede voegwoorden tussen twee zinnen.
    Je schrijft meestal de goede aanwijswoorden als ‘die’, ‘zij’, ‘hij’, ‘het’, ‘haar’.
    De zinnen in je tekst zijn goed opgebouwd.
     
    Brieven
   A1 Je schrijft je handtekening op de goede plaats.
   A2 Je schrijft een goed begin van een brief. Je schrijft je handtekening op de goede plaats.
   B1 Je schrijft op een goede manier het begin, de afsluiting en de handtekening.