sw

NT2 - Spreken

     
    Wat zeg je?
     
    Alleen spreken
   A1  Je praat over jezelf. Je beschrijft iets of iemand.
   A2 Je vertelt over familie, school of stage. Je praat over bekende personen en bekende dingen. Je praat over wat je hebt meegemaakt op school, stage of bij een uitstapje/reis. Je vertelt hoe iets gedaan moet worden, bijvoorbeeld een schoolopdracht of eten koken.
   B1 Je vertelt over school of stage of over de politiek in jouw eigen land. Je praat uitgebreid over wat je hebt meegemaakt op school, stage of bij een uitstapje/reis. Je vertelt over wat je vindt van bijvoorbeeld een boek, film of reis. Je vertelt over je toekomst en wat je wilt bereiken. Je kunt een verhaal vertellen. Je kunt uitleggen hoe het werk gedaan moet worden of vertellen waarom je voor iets kiest.
     
     
     
    Voor een groep spreken
     
   A1 Je leest een korte mededeling aan een groep voor; je hebt van tevoren geoefend.
   A2 Je kunt een korte mededeling doen aan een groep; je hebt van tevoren geoefend.Je kunt een kort praatje houden voor een groep, bijvoorbeeld een spreekbeurt of PowerPoint presentatie.
   B1 Je kunt duidelijke mededelingen doen voor een groep. Je kunt een simpele presentatie geven of een spreekbeurt houden.
     
    Hoe zeg je het?
     
    Woorden
   A1 Je gebruikt alleen woorden die je heel vaak tegenkomt.
   A2 Je gebruikt woorden die je vaak tegenkomt en groepjes woorden die bij elkaar horen.
   B1 Je gebruikt veel verschillende woorden en goede beschrijvingen.
     
    Toon
  A1 -
  A2  Je gebruikt meestal de juiste toon. Je zegt u wanneer dat nodig is. Je weet wanneer beleefde taal nodig is.
  B1 Je gebruikt de juiste toon, zegt ‘u’ wanneer dat nodig is en weet wanneer beleefde taal nodig is.
     
    Grammatica
  A1 Je spreekt in korte zinnen en simpele zinnen. Je gebruikt de goede volgorde alleen bij zinnen die je vaak gebruikt. Je gebruikt soms de goede vorm bij werkwoorden die je vaak gebruikt. Je gebruikt heel soms het goede werkwoord bij de goede persoon. Je gebruikt heel soms ‘de’, ‘het’, ‘een’ voor een woord. Je gebruikt heel soms woordjes zoals ‘op’, ‘in’, ‘voor’ ‘naast’ bij het goede woord.
  A2 Je spreekt meestal in korte zinnen en in groepjes van woorden die bij elkaar horen. Je gebruikt de goede volgorde in zinnen die je vaak gebruikt. Je verandert soms de volgorde in een zin als dat nodig is. Je zegt de werkwoorden die je vaak gebruikt meestal goed. Je gebruikt het meervoud meestal goed. Je kiest het goede werkwoord bij de persoon. Je gebruikt ‘de’, ‘het’, ‘een’, maar nog niet altijd goed. Je gebruikt de woordjes zoals ‘op’, ‘in’, ‘voor’ en ‘naast’ meestal goed bij woorden die je vaak gebruikt.
  B1 Je spreekt met korte goede zinnen en soms ook met langere zinnen. De volgorde van woorden in zinnen is meestal goed, ook als persoonsvorm en onderwerp omgedraaid worden. Je gebruikt de juiste vorm van werkwoorden, behalve bij werkwoorden die erg veranderen. Je gebruikt het meervoud meestal goed en kiest meestal het goede werkwoord bij de persoon. Je gebruikt meestal de goede ‘de’, ‘het’, ‘een’ voor een woord. Je gebruikt bijna altijd de juiste ‘op’, ‘in’, ‘voor’, ‘naast’ woorden.
     
     
    Vloeiend spreken
  A1 Je spreekt in hele korte zinnen met veel pauzes.
  A2 Je spreekt meestal in korte zinnen, je gebruikt veel pauzes en begint vaak opnieuw.
  B1 Je spreekt korte zinnen in een goed tempo, in langere zinnen spreek je met pauzes en herhalingen.
     
    Meer zinnen
  A1 Je gebruikt soms ‘en’ of ‘dan’ tussen twee langere zinnen. Je gebruikt bijna geen aanwijswoorden als ‘die’, ‘hem’, ‘haar’ en ‘deze’. Het is niet heel duidelijk dat de zinnen bij elkaar horen.
  A2 Je gebruikt soms langere zinnen met ‘want’, ‘omdat’, ‘maar’ en ‘en’ tussen de twee delen van de zin.Je gebruikt soms aanwijswoorden als ‘die’, ‘hem’, ‘haar’ en ‘deze’. De zinnen horen bij elkaar.
  B1 Je gebruikt de bekende voegwoorden bijna altijd goed. Je gebruikt simpele aanwijswoorden als ‘die’, ‘deze’ ‘hem’, ‘haar’ bijna altijd goed. Je zinnen in een verhaal hebben een goede opbouw.
     
    Uitspraak
  A1 Je mensen kunnen je niet altijd goed verstaan en vragen je om het nog een keer te zeggen.
  A2 Je spreekt met een accent maar mensen kunnen je verstaan.
  B1 De mensen kunnen je goed verstaan.
     
    Gesprekken
     
    Wat zeg je?
     
    Informele gesprekken/praatje maken
   A1 Je stelt jezelf voor, groet en neemt afscheid. Je stelt iemand anders voor en reageert op iemand die zich voorstelt. Je vraagt of zegt hoe het gaat.
   A2 Je kunt mensen aanspreken, begroeten en sorry zeggen. Je zegt wat je vindt of wat je wilt in bijvoorbeeld een winkel, op school of op stage. Je kunt een beetje meedoen aan simpele gesprekken over dagelijkse dingen. Je kunt iemand anders die op bezoek komt op een goede manier ontvangen.
   B1 Je kunt zeggen wat je voelt en geeft reactie op gevoelens van een ander. Je geeft je mening over onderwerpen uit je eigen leven.
     
    Vergadering
   A1 -
   A2 Je zegt (met hulp) wat je vindt als iemand het direct aan je vraagt.
   B1 Je geeft je eigen mening, maar meedoen aan discussie is nog moeilijk. Je kunt een beetje meedoen aan discussies over praktische zaken, bijvoorbeeld over de organisatie van een feest.
     
    Dingen regelen
   A1 Je vraagt om iets (kleur of maat). Je biedt iets aan (Wil je iets drinken?). Je bedankt voor iets. Je kunt simpele getallen uitspreken en verstaan.
   A2 Je kunt iets bestellen of reserveren. Je nodigt iemand uit of reageert op een uitnodiging. Je kunt een voorstel doen (wat of hoe te doen) of reageert op een voorstel. Je kunt moeilijke getallen uitspreken of verstaan. Je vraagt simpele informatie over een reis. Je hebt een simpel gesprek aan een balie/receptie. Je hebt een simpel telefoongesprek. Je maakt een afspraak. Je houdt het gesprek aan de gang.
   B1 Je geeft ideeën over hoe je praktische zaken kunt oplossen. Je vraagt of geeft extra informatie bijvoorbeeld als je iets koopt. Je geeft een klacht door. Je reageert op simpele situaties tijdens een reis, bijvoorbeeld bij iets reserveren of aangifte doen bij politie.
     
    Informatie vragen en geven
   A1 Je geeft of vraagt simpele informatie over jezelf of familie en vrienden. Je geeft informatie over een adres of waar iets is. Je zegt kort wat je wel of niet leuk vindt en vraagt dat ook aan anderen.Je vraagt om herhaling als je iets niet begrijpt.
   A2 Je geeft simpele aanwijzingen en instructies of reageert daarop. Je vraagt of geeft informatie over bijvoorbeeld de schoolregels of een activiteit. Je geeft en vraagt persoonlijke informatie.
   B1 Je vraagt naar simpele informatie (prijs, eigenschappen) en geeft het door. Je geeft en vraagt informatie over bijvoorbeeld hobby’s of stage. Je voert een simpel sollicitatiegesprek. Je vraagt om aanwijzingen die iets moeilijker zijn en kan ze opvolgen. Je vraagt telefonisch informatie op of geeft telefonisch informatie door.
     
    Hoe zeg je het?
     
    Woorden
   A1 Je gebruikt alleen woorden die je heel vaak tegenkomt.
   A2 Je gebruikt woorden die je vaak tegenkomt en groepjes woorden die bij elkaar horen.
   B1 Je gebruikt veel verschillende woorden en goede beschrijvingen.
     
    In gesprek met de ander
   A1 Je geeft pas antwoord als de ander het nog een keer vraagt.
   A2 Je geeft meteen antwoord. Soms stel je zelf ook vragen of begint met een nieuw onderwerp.
   B1 Je geeft meteen antwoord. Je begint zelf het gesprek en houdt zelf het gesprek aan de gang.
     
    Grammatica
   A1 Je spreekt in korte en simpele zinnen. Je gebruikt de goede volgorde alleen bij zinnen die je vaak gebruikt. Je gebruikt soms de goede vorm bij werkwoorden die je vaak gebruikt. Je gebruikt heel soms het goede werkwoord bij de goede persoon. Je gebruikt heel soms ‘de’, ‘het’, ‘een’ voor een woord. Je gebruikt heel soms woordjes zoals ‘op’, ‘in’, ‘voor’ en ‘naast’ bij het goede woord.
   A2 Je spreekt meestal in korte zinnen en groepjes van woorden die bij elkaar horen. Je gebruikt de goede volgorde in zinnen die je vaak gebruikt. Je verandert soms de volgorde in een zin als dat nodig is. Je zegt de werkwoorden die je vaak gebruikt meestal goed. Je gebruikt het meervoud meestal goed. Je kiest het goede werkwoord bij de persoon. Je gebruikt ‘de’, ‘het’, ‘een’ maar nog niet altijd goed. Je gebruikt de woordjes zoals ‘op’, ‘in’, ‘voor’ en ‘naast’ meestal goed bij woorden die je vaak gebruikt.
   B1 Je spreekt met korte goede zinnen en soms ook met langere zinnen. De volgorde van woorden in zinnen is meestal goed, ook als persoonsvorm en onderwerp omgedraaid worden. Je gebruikt de juiste vorm van werkwoorden, behalve bij werkwoorden die erg veranderen. Je gebruikt het meervoud meestal goed en kiest meestal het goede werkwoord bij de persoon. Je gebruikt meestal de goede ‘de’, ‘het’, ‘een’ voor een woord. Je gebruikt bijna altijd de juiste ‘op’, ‘in’, ‘voor’ en ‘naast’ woorden.
     
    Vloeiend spreken
   A1 Je spreekt in hele korte zinnen met veel pauzes.
   A2 Je spreekt meestal in korte zinnen, je gebruikt veel pauzes en begint vaak opnieuw.
   B1 Je spreekt korte zinnen in goed tempo, in lange zinnen spreek je met pauzes en herhalingen.
     
    Meer zinnen
   A1 Je gebruikt soms ‘en’ of ‘dan’ tussen twee langere zinnen. Je gebruikt bijna geen aanwijswoorden als ‘die’, ‘hem’, ‘haar’ en ‘deze’.Het is niet heel duidelijk dat de zinnen bij elkaar horen.
   A2 Je gebruikt soms langere zinnen met ‘want’, ‘omdat’, ‘maar’ en ‘en’ tussen de twee delen van de zin. Je gebruikt soms aanwijswoorden als ‘die’, ‘hem’, ‘haar’ en ‘deze’. De zinnen horen bij elkaar
   B1 Je gebruikt de bekende voegwoorden bijna altijd goed. Je gebruikt simpele aanwijswoorden als ‘die’, ‘deze’, ‘hem’, ‘haar’ bijna altijd goed. De zinnen in een verhaal hebben een goede opbouw.
     
    Uitspraak
   A1 Mensen kunnen je niet altijd goed verstaan en vragen je om het nog een keer te zeggen.
   A2 Je spreekt met een accent maar mensen kunnen je verstaan.
   B1 mensen kunnen je goed verstaan.
     
    Toon
   A1 -
   A2 -
   B1 Je gebruikt de juiste toon, zegt ‘u’ wanneer dat nodig is en weet wanneer beleefde taal nodig is.