Alfa A
 
Luisteren

Woorden 

Je hoort een woord met drie klanken. Je zegt één of twee klanken na.
Je hoort verschillende woorden met drie klanken. Je zegt welke woorden met dezelfde klank beginnen.
Iemand hoort verschillende woorden uit waarin dezelfde klanken voorkomen. Je zegt welke klanken hetzelfde zijn.

Zinnen 

Je hoort een zin met maximaal zes woorden. Je kunt minstens twee aparte woorden uit die zin nazeggen.
Je hoort een zin met minder dan tien woorden. Je telt hoeveel woorden het zijn.

Lezen

Letters en woorden

Je hebt alle letters voor. Je kunt bij elke Nederlandse klank een letter aanwijzen die daarbij hoort.
Je kan woorden die uit bekende letters bestaan hardop lezen.
Je spreekt de letters in een woord achter elkaar uit. Als je de klanken achter elkaar opleest, weet je meestal welk woord er staat.  
Je kunt combinaties van twee klinkers (ij, ei, au, ou, ui, eu) goed uitspreken.
Je kunt a, o, e, en u lang en kort uitspreken.

Begrijpen wat er staat

Je ziet of een brief of kaart voor jou is.
Je ziet het verschil tussen reclame en andere post.
Je herkent informatiebordjes bij winkels, balies, haltes en op stations.
Je leest hoe duur iets is. 

Schrijven

Letters en woorden

Je ziet het verschil tussen twee letters die op elkaar lijken.
Je hoort een klank en schrijft zonder hulp van een voorbeeld de letter op die daarbij hoort.
Je hoort een aantal klanken en schrijft het woord op dat daarbij hoort.
Je schrijft een nieuw woord door de klanken die je hoort achter elkaar te zetten.
Je schrijft de verschillende woorden van een zin naast elkaar op. 

Gesprekken voeren

Informele gesprekken

Iemand vraagt naar je naam, leeftijd en woonplaats. Je geeft de goede informatie.
Je kunt iemand die je tegenkomt groeten en gedag zeggen.
Je vraagt iemand hoe het met hem of haar gaat.

Iets regelen

Iemand heeft iets van je nodig. Je begrijpt wat de ander van je verwacht.
Je kunt cijfers, bijvoorbeeld telefoonnummers, postcodes en huisnummers doorgeven.
Je kunt zeggen hoe laat het is.

Informatie uitwisselen

Je stelt de goede vragen als je iets wilt weten.
Je maakt iemand duidelijk maken wat je nodig hebt of wilt gaan doen.
Je vraagt iemands mening over iets.