Biologie KSB3, HBO-schakel 

     Levende organismen
   B  
    Je weet hoe de organismen zijn ingedeeld in rijken.
Je kunt dieren van planten onderscheiden.
Je kent de indeling van het dierenrijk.
Je weet hoe wortels, stengels en bladeren zijn opgebouwd.
Je kent de functies van wortels, stengels en bladeren.
Je herkent de verschillende onderdelen van een bloem.
Je weet hoe de bevruchting van planten gebeurt.
Je weet hoe plantenzaden zich ontwikkelen.
Je weet hoe planten hun zaden verspreiden.
Je weet hoe je uit de stam van een boom de levensgeschiedenis kunt aflezen.
   G  
    Je kent de eigenschappen van schimmels en bacteriën.
Je kent de afdelingen van het plantenrijk en dierenrijk.
Je kent de belangrijkste kenmerken van de groepen planten en dieren.
Je kent de indeling van zaadplanten.
Je kunt het dierenrijk indelen in afdelingen.
Je kunt de belangrijkste afdelingen van het dierenrijk indelen in groepen.
Je weet dat levende wezens uit organen zijn opgebouwd.
Je weet dat organismen uit cellen zijn opgebouwd.
   E  
    Je kent de levenskenmerken van organismen.
Je kent de indelingskenmerken van organismen.
Je weet waarom bacteriën en schimmels belangrijk zijn voor andere organismen.
Je kent de delen van plantaardige cellen en hun functie.
Je kent de indeling van het plantenrijk.
Je kent de delen van dierlijke cellen en hun functie.
Je kunt geleedpotigen en gewervelden in groepen indelen.
Je weet wat weefsel en organen zijn.
Je weet wat chromosomen zijn.
Je weet hoe de gewone celdeling verloopt.
Je weet hoe je een biologisch onderzoek aanpakt.
Je kent het vertakkingsschema van organismen.
Je weet hoe je een determineertabel gebruikt.
     
     Mensen
   B  
     Je weet welke voedingsstoffen een mens nodig heeft.
 Je kent de gevolgen van goede en verkeerde voeding
 Je kent de weg die het voedsel aflegt bij de spijsvertering.
 Je weet hoe voedingsstoffen verteerd worden.
 Je kent de bouw en de functies van het gebit.
 Je weet hoe het gebit gezond blijft.
 Je weet wat de ademhalingsorganen doen.
 Je weet wat de functie is van de ademhaling.
 Je weet wat de invloed van ademhaling op je gezondheid is.
   G  
     Je kent de bestanddelen van het bloed en hun functie.
 Je kent de weg van de bloedsomloop.
 Je weet welke organen bij de bloedsomloop betrokken zijn.
 Je weet hoe leefgewoonten je bloedsomloop beïnvloeden.
 Je weet hoe het lichaam afvalstoffen afscheidt.
 Je kent de primaire en secundaire geslachtskenmerken van mannen en vrouwen.
 Je kent de functies van de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen.
 Je weet wat er in het lichaam van een vrouw gebeurt vóór, tijdens en na de bevruchting.
 Je weet hoe een bevalling verloopt.
   E  
     Je kent de organen die in de romp zitten. 
 Je weet hoe de reductiedeling verloopt.
 Je weet wat er gebeurt tijdens de menstruatiecyclus.
 Je weet hoe zaad- en eicellen versmelten.
 Je weet hoe een embryo zich ontwikkelt.
 Je weet hoe onvruchtbaarheid verholpen kan worden.
 Je weet hoe je seksueel overdraagbare aandoeningen herkent.
 Je weet hoe je seksueel overdraagbare aandoeningen voorkomt.
 Je weet hoe seksueel overdraagbare aandoeningen kunnen worden behandeld.
 Je kent de anticonceptiemiddelen met hun vóór- en nadelen.
     
     Erfelijkheid en evolutie 
   B  
     Je weet wat chromosomen zijn.
 Je weet het verschil tussen erfelijke en niet-erfelijke eigenschappen.
 Je kent de kenmerken van geslachtelijke voortplanting.
 Je weet wat fossielen zijn.
   G  
     Je weet het verschil tussen geslachtelijke en niet-geslachtelijke voortplanting.
 Je weet hoe kenmerken van individuen op een nieuwe generatie worden overgedragen.
 Je weet hoe kanker ontstaat.
 Je hoe wetenschappelijke kennis van genetica in de praktijk gebruikt wordt.
   E  
     Je weet wat de evolutietheorie betekent.
 Je weet hoe de evolutietheorie ontstaan is.
 Je begrijpt een geologische tijdschaal.
 Je begrijpt een stamboom van organismen.