Biologie VMBO / HAVO2 / VWO2

     Levende organismen
  B  
     Je kent de onderwerpen van het vak biologie.
 Je kent de kenmerken van levend en niet levend.
 Je kent de zeven levensverschijnselen.
 Je kent de verschillen tussen planten en dieren.
 Je weet hoe het dierenrijk is ingedeeld.
 Je weet wat cellen zijn.
 Je weet wat organen zijn.
 Je kent de delen van een plant.
 Je kent de functie van bladeren.
  G  
     Je kent de delen van een bloem met hun functie.
 Je weet hoe de voortplanting door bestuiving verloopt bij planten.
 Je weet hoe insecten en wind voor de bestuiving zorgen.
 Je weet hoe plantenzaden gevormd worden.
 Je weet hoe plantenzaden verspreid worden.
 Je kent de eigenschappen van zoolgangers, teengangers en hoefgangers.
  E  
     Je weet in welke rijken de organismen worden ingedeeld.
 Je weet wat bacteriĆ«n en schimmels zijn.
 Je kunt het plantenrijk indelen in afdelingen.
 Je noemt voorbeelden van planten uit de drie verschillende afdelingen.
 Je kunt zaadplanten indelen in twee groepen.
 Je kunt het dierenrijk indelen in afdelingen.
 Je kunt de geleedpotige en gewervelde dieren indelen in groepen.
 Je kent het vertakkingsschema van organismen.
 Je herkent organismen met behulp van een zoekkaart.
     
     Mensen
  B  
     Je kent de belangrijkste delen van het menselijk skelet.
 Je weet wat de functie is van een skelet.
  G  
     Je kent de kenmerken van been en kraakbeen.
 Je kent de verschillende verbindingen van beenderen.
 Je weet hoe beenderen tijdens het menselijk leven veranderen.
  E  
     Je weet uit welke delen een gewricht is opgebouwd en wat hun functie is.
 Je weet wat kogelgewrichten en scharniergewrichten zijn.
 Je kent de bouw van een spier en de werking.
 Je weet waarom een goede lichaamshouding belangrijk is.
 Je kent de invloed van sportbeoefening op de gezondheid.
 Je kent de meest voorkomende sportblessures.
 Je weet hoe je met sportblessures omgaat en hoe je ze voorkomt.