Communiceren
     
     Aandacht vragen
  Je verwacht dat iedereen altijd aandacht voor je heeft.
G Als je iemands aandacht wilt, kies je daar het goede moment voor uit.
E Je groet mensen. Als je iets te vragen of te vertellen hebt, let je erop of die persoon tijd voor je heeft.
     
     Aanspreken met respect
  B Je spreekt ouderen, leidinggevenden, vreemden en leeftijdgenoten allemaal hetzelfde aan.
  Je gebruikt tegen ouderen, leidinggevenden en vreemden andere woorden dan tegen leeftijdsgenoten en mensen die je goed kent.
  Je weet tegen wie je u, je, meneer of mevrouw moet zeggen. Je onthoudt de namen van mensen.
     
     Formeel gesprek
  Tijdens een gesprek zeg je altijd meteen wat je denkt. Je denkt niet eerst na hoe je iets gaat zeggen.
  Je weet dat je bij een formeel gesprek goed over je woorden moet nadenken.
  Bij een formeel gesprek luister je aandachtig. Je denkt na voordat je zelf iets zegt.
     
    Jezelf beoordelen
  B Je merkt niet hoe mensen reageren op je houding en je manier van praten.
  G Anderen beoordelen je houding en je manier van communiceren. Je accepteert dat ze positieve en negatieve dingen zeggen.
  E Anderen beoordelen je houding en je manier van communiceren. Je praat over de dingen die ze zeggen en probeert er iets van te leren.