Dramatische Expressie

     Een persoon uitbeelden
     
  B  Je beeldt een persoon uit die je persoonlijk kent.
  G  Je beeldt een persoon uit die je niet kent.
  E  Je beeldt de stemming uit van een persoon.
     
  B  Je kiest hulpmiddelen uit om je eigen stemming uit te drukken.
  G  Je kiest hulpmiddelen uit om emoties uit te drukken van iemand die je speelt.
  E  Je kiest hulpmiddelen uit om samen met anderen verschillende personen te spelen. 
     
  B  Je kunt je stem en lichaamshouding veranderen.
  G  Je kunt je stem en lichaamshouding aanpassen bij de persoon die je speelt.
  E  Je kunt een stemming uitdrukken met je stem en lichaamshouding.
     
    Een situatie uitbeelden
     
  B Je beeldt uit dat je ergens anders bent.
  G Je beeldt uit dat de persoon die je speelt ergens anders is.
  E Je beeldt uit dat je samen met anderen ergens anders bent.
     
  B Je speelt dat je iets meemaakt.
  G Je speelt dat een andere persoon iets meemaakt.
  E Je speelt met anderen dat jullie samen iets meemaken.
     
     Emoties in het spel
     
  B  Je kunt heftige emoties in een spel niet los zien van echte emoties.
  G  Je kunt heftige emoties in een spel los zien van echte emoties.
  E  Je kunt meedoen aan een spel met heftige emoties.
     
      Publiek
     
  B  Je kunt alleen iemand uitbeelden als er niemand kijkt.
  G  Je kunt alleen iemand uitbeelden voor publiek dat je goed kent.
  E  Je beeldt iemand uit terwijl er vreemden toekijken.
     
  B  Je sluit je af voor reacties van mensen die kijken.
  G  Je staat open voor reacties van mensen die kijken.
  E  Je past je aan de reacties van mensen die kijken aan.
     
    Jij als publiek
     
  B Je bent stil als het spel begint en je praat er niet doorheen. Na afloop geef je applaus.
  G Je bent direct stil als het spel begint. Je kijkt en luistert met aandacht.
  E Je kunt tips en tops geven aan de speler(s) op een respectvolle manier.
     
     Een spel beoordelen
     
  B  Iemand geeft zijn mening over jouw spel. Als die mening negatief is, luister je niet.
  G  Iemand geeft zijn mening over jouw spel. Als die mening negatief is, luister je toch.
  E  Iemand geeft zijn mening over jouw spel. Als die mening negatief is, bespreek je dat.
     
  B Je hebt naar een voorstelling of film gekeken. Je kunt zeggen of je het goed vond of niet.
  G Je hebt naar een voorstelling of een film gekeken. Je kunt zeggen waarom je het goed vond of niet.
  E Je hebt naar een voorstelling of film gekeken. Je kunt zeggen wat je van het spel van de acteurs vond.