Engels

     Luisteren
     
   A1  Je begrijpt nieuwe woorden alleen als iemand ze uitlegt met gebaren, herhaling of andere woorden. Hele zinnen en vragen begrijp je vaak niet.
   A2 Je begrijpt zinnen en vragen als die over dingen uit jouw leven gaan of over dingen om je heen. Je luistert naar een gesprek en begrijpt waar het over gaat. Je haalt de belangrijkste informatie uit een nieuwsbericht. Je begrijpt instructies die duidelijk worden uitgesproken.
   B1 Iemand praat extra duidelijk en rustig tegen jou. Je begrijpt de informatie die over jou gaat of over onderwerpen die bekend voor je zijn.
   B2 Iemand praat extra duidelijk en rustig tegen jou. Je begrijpt alles.
     
     Lezen
     
   A1 Je hebt een tekst met duidelijke letters en korte zinnen. Je herkent bekende namen en woorden in deze tekst en je begrijpt sommige zinnen.
   A2 Je hebt een tekst met duidelijke letters en korte informatie, zoals een reclamefolder, menukaart of dienstregeling. Je kunt de informatie vinden die voor jou belangrijk is. Je begrijpt memo’s en korte persoonlijke berichten. Je begrijpt mededelingen op informatieborden. Je kunt korte instructies lezen.
   B1 Je hebt een tekst met korte informatie over een onderwerp dat jij goed kent. Je begrijpt de informatie.
   B2 Je hebt een tekst met wat meer informatie over een onderwerp dat iedereen kent. Je begrijpt de informatie.
     
     Spreken
     
   A1 Je vertelt met weinig verschillende woorden en in korte zinnen wie je bent. Je vertelt hoe iemand eruit ziet.
   A2 Je vertelt met weinig verschillende woorden en in korte zinnen hoe je familie in elkaar zit. Je vertelt waar je woont; wat je elke dag doet en wat je op school leert. Je praat over je gezondheid. Je vertelt wat voor stage of werk je doet. Je legt een nieuwe collega uit wat hij moet doen. Je vertelt over je hobby’s en interesses.
   B1 Je vertelt over jezelf, je familie, je buurt of iets wat je hebt meegemaakt. Je zinnen sluiten op elkaar aan.
   B2 Je geeft uitgebreid informatie over onderwerpen die je interesseren. Je vertelt wat je vindt van een algemeen bekend onderwerp. Je zinnen sluiten op elkaar aan.
     
     Gesprekken voeren
     
   A1 Je hebt een gesprek over dingen uit jouw leven of over iets om je heen. Als je de ander niet begrijpt, legt die dat uit met gebaren, herhaling of andere woorden. Als jij praat helpt de ander jou met woorden zoeken.
   A2 Je hebt een gesprek over persoonlijke dingen van jou of over iets wat je vaak doet. Je reageert op anderen. Je zegt wat je denkt over een onderwerp dat iedereen kent. Je praat met je buren over nieuws uit de buurt. Je kunt uitleggen dat iets kapot is.
   B1 Je begrijpt iedereen die rustig en duidelijk tegen jou praat. Je kunt met gesprekken meedoen over onderwerpen die bekend zijn voor jou. Je maakt duidelijk wat je nodig hebt.
   B2 Je kunt vragen stellen om erachter te komen waar een gesprek over gaat. Je geeft je mening in een gesprek over een bekend onderwerp.
     
     Schrijven
     
   A1 Je vult je naam, adres en geboortedatum in op een formulier. Je schrijft een kaart met felicitaties of groeten en afzender. Je weet hoe je een kaart adresseert.
   A2 Je kunt kort opschrijven wat je moet onthouden, wat je moet doen en wat je gedaan hebt. Bijvoorbeeld een boodschappenbriefje, een afspraak in je agenda of een werkbriefje. Je schrijft een kort bedankbriefje of een verzoek. Je vult een inschrijfformulier in.
   B1 Je schrijft enkele zinnen achter elkaar over een bekend onderwerp. Je vertelt bijvoorbeeld hoe het met je gaat of wat je gedaan hebt.
   B2 Je schrijft een tekst met een begin, midden en einde. Bijvoorbeeld een brief of verslag. In die tekst geef je informatie over een onderwerp dat je goed kent.