Informatie vinden en gebruiken

    Vinden wat je zoekt.
   B  Je weet welke informatie je nodig hebt. Je weet niet hoe je die informatie kunt vinden.
   G Je kunt hulp vragen bij het vinden van de informatie die je zoekt.
   E Je bedenkt zelf hoe je de informatie kunt vinden die je nodig hebt.
     
    Informatie gebruiken
   B Je hebt informatie verzameld maar je weet niet wat bruikbaar is.
   G Je hebt hulp nodig om te beoordelen of je verzamelde informatie bruikbaar is.
   E Je beoordeelt zelf of je verzamelde informatie bruikbaar is.
     
    Verslaglegging
   B Je maakt geen verslagen en je verzamelt geen bewijzen.
   G Je probeert je informatie op te schrijven en te bewaren.
   E Je beschrijft alle stappen uit je werkproces. Je laat die als bewijzen zien. Anderen begrijpen wat je hebt gedaan.