Jezelf presenteren

     Uiterlijke verzorging.  
  Je let niet op je kleding.  
  G Je probeert rekening te houden met je kleding.  
  E Je draagt bij elke situatie de juiste kleding, sieraden en make-up.  
       
     Lichaamstaal  
  B Als je praat of presenteert, denk je niet aan je lichaamstaal.  
  G Je probeert rekening te houden met je lichaamstaal.  
  E Jouw lichaamstaal ondersteunt wat je wilt zeggen.  
       
    Spreken  
  B Je praat onduidelijk en anderen kunnen je niet verstaan.  
  G Je probeert duidelijk en verstaanbaar te praten.  
  E Je spreekt duidelijk, iedereen hoort wat je zegt.  
       
     Wat je zegt.  
   B Niemand begrijpt wat je zegt, of wat er op je scherm/Powerpoint staat.  
   G Je probeert iets duidelijk te vertellen of op te schrijven, maar anderen kunnen je verhaal moeilijk volgen.  
   E Je vertelt en schrijft met eigen woorden, en iedereen begrijpt je.  
       
    Open zijn en reageren op je publiek  
  B Als iemand iets van je wil weten, reageer je daar niet op.  
  G Als iemand iets van je wil weten, geef je alleen heel kort antwoord op vragen.  
  E Je toont interesse voor anderen. Je stelt vragen en je geeft antwoord op vragen.  
       
    De luisteraars  
  B De luisteraars vinden je verhaal (een beetje) saai.  
  G Je verhaal is wel interessant, maar duurt te lang.  
  E De luisteraars zijn enthousiast.