Natuurkunde KSB 2, VMBO/HAVO/VWO-3

     Stoffen en materialen
   B  
     Je kent de belangrijke stoffen en materialen.
 Je kent verschillen tussen soorten materialen.
   G  
   

 Je kent de eigenschappen van stoffen bij gebruik in producten en constructies.
 Je weet hoe stoffen gemengd worden voor producten en materialen.
 Je weet wanneer stoffen gevaarlijk zijn.
 Je kent een aantal gevarensymbolen.

   E  
     Je kunt de stoffen indelen in vier groepen.
 Je kent de belangrijke kenmerken van de vier groepen stoffen.
 Je weet hoe je de dichtheid van een stof bepaalt.
 Je stelt de aard van een stof vast door de dichtheid te berekenen.
     
     Verbranden en verwarmen
   B  
     Je weet wat een warmtebron is.
 Je kent een aantal warmtebronnen.
 Je kent het verschil tussen natuurlijke en kunstmatige warmtebronnen.
 Je kent het verschil tussen chemische en elektrische energie.
   G  
     Je kunt het verbrandingsproces in verwarmingstoestellen beschrijven.
 Je kent het verschil tussen volledige verbranding en onvolledige verbranding.
 Je weet waarom luchttoevoer nodig is bij verbranding.
   E  
     Je weet hoe de warmte uit een verwarmingstoestel door het huis verspreid wordt.
 Je kunt warmte-isolatie uitleggen met de begrippen stroming, geleiding en straling.
 Je weet waarom energiebesparing belangrijk is.
 Je kent enkele energiebesparende maatregelen voor huizen.
 Je kent de gevolgen voor milieu en gezondheid van de verbranding van brandstoffen.
     
     Elektriciteit
   B  
     Je weet wat een stroomkring is.
 Je kunt een elektrische schakeling beschrijven.
 Je weet dat een elektrische schakeling alleen werkt in een gesloten stroomkring.
 Je kent een aantal isolerende en geleidende stoffen.
 Je kent enkele spanningsbronnen.
 Je kunt uitleggen hoe spanningsbronnen als batterijen, accu’s, dynamo’s en generatoen elektrische energie leveren.
   G  
     Je weet wat een serieschakeling is.
 Je weet wat een parallelschakeling is.
 Je kunt een eenvoudig elektrisch schema lezen.
 Je tekent een eenvoudig elektrisch schema met behulp van de symbolen voor schakelschema’s.
 Je maakt een elektrische en/of elektronische schakeling in een practicumopstelling.
   E  
     Je kunt het energiegebruik berekenen van apparaten in een schakeling.
 Je weet welke factoren het energieverbruik van een apparaat beïnvloeden.
 Je kunt het vermogen van apparaten berekenen en de kosten van het energiegebruik.
 Je kent de gevaren van elektriciteit.
     
    Licht en beeld 
   B  
     Je kunt enkele lichtbronnen noemen.
 Je kent het verschil tussen natuurlijke en kunstmatige lichtbronnen.
 Je weet hoe het oog licht waarneemt.
 Je weet wat een gezichtsveld is.
   G  
     Je weet hoe een lichtbundel zichtbaar wordt.
 Je weet wat er in het oog gebeurt met een lichtbron.
 Je weet hoe het oog voorwerpen waarneemt die zelf geen licht geven.
 Je weet hoe je fotogrammen maakt.
   E  
     Je kent de spiegelwet
 Je kunt een teruggekaatste lichtstraal tekenen.
 Je kunt met een prisma wit licht uiteen laten vallen in de kleuren van het spectrum.
 Je kunt het waarnemen van kleuren uitleggen.
 Je kent soorten straling die het oog niet waarneemt: infrarood en ultraviolet.