........................

 

 

Plannen en organiseren

   Stappen bedenken.
   B  Je wilt te snel in één keer een groot doel/resultaat bereiken.
   G  Je weet dat je een groter doel bereikt in kleinere stapjes. Als iemand je helpt, lukt dat.
   E  Je verdeelt een groter doel zelf in kleinere stukjes. Je schrijft dat op.
     
    Wat heb je nodig?
   B Je weet niet welke hulpmiddelen je nodig hebt bij een taak.
   G Anderen moeten je helpen om te bedenken welke hulpmiddelen je nodig hebt bij een taak.
   E Je weet welke hulpmiddelen je nodig hebt en je kunt ze vinden.
     
    Problemen oplossen
   B Als er een probleem is dan stop je.
   G Je weet weinig oplossingen te bedenken en je geeft snel op.
   E Je bekijkt een probleem van alle kanten. Je gaat door tot een probleem opgelost is.
     
    Als het doel bereikt is
   B Je werk is af. Je weet niet goed meer wat de planning is geweest.
   G Je werk is af. Je beantwoordt vragen over de invloed van de planning op het resultaat.
   E Je werk is af. Je vertelt zelf wat de invloed van je planning is geweest op het resultaat.