Samenwerken

    Verantwoordelijkheid delen
   B Jij vindt het resultaat dat je samen met anderen kunt bereiken niet belangrijk.
   G Je begrijpt dat het resultaat van samenwerking ook van jou afhangt.
   E Jij zet je in voor goede resultaten van de groep. Je stimuleert de anderen om ook hun best te doen.
     
    Taken op je nemen
   B Je biedt jezelf niet aan voor een taak in je groep.
   G Je kiest in je groep alleen de makkelijkste taken.
   E Je kiest in je groep taken die je uitdagend vindt en doet dingen die nieuw voor je zijn.
     
    Met afspraken omgaan
   B Je doet niet mee aan afspraken over wat iedereen in je groep gaat doen.
   G Als je gezegd hebt dat je iets zal doen, begin je pas als anderen erom vragen.
   E Als je gezegd hebt dat je iets zal doen, begin je daar uit jezelf mee.
     
    Feedback geven en ontvangen
   B Je geeft geen feedback en je accepteert geen kritiek.
   G Je probeert feedback te geven. Je vindt het moeilijk om kritiek te ontvangen en jezelf te verbeteren.
   E Je geeft anderen met respect feedback. Je staat open voor kritiek van anderen en je doet er iets mee.