.........................
 

Sport

gedrag

   

Eerlijk spelen

    Je speelt eerlijk als je bijvoorbeeld uit jezelf toegeeft dat je af bent, eerlijk zegt of een bal in of uit is.
     
   O  Je speelt in een team. Je speelt niet eerlijk of je geeft het niet toe als je zelf een fout maakt.
   B Je speelt in een team. Je speelt soms eerlijk maar vindt het moeilijk om uit jezelf toe te geven als je een fout maakt.
   G Je speelt in een team. Je speelt eerlijk.
   E Je speelt in een team. Je speelt eerlijk en houdt rekening met anderen. Als anderen vals spelen zeg je hier iets van op een normale manier.
     
     Communiceren in het Nederlands
     
   O Je speelt in een team. Je zegt (bijna) nooit iets tegen anderen. Als je iets tegen een ander zegt, schreeuw je en doe je dit met veel handgebaren. Als iemand iets tegen jou zegt, word je boos.
   B Je speelt in een team. Als je iets tegen een ander zegt, kun je dit niet goed verwoorden waardoor de ander jou niet begrijpt. Als iemand iets tegen jou zegt, (probeer je) te luisteren, maar vaak begrijp je niet wat de ander bedoelt of ga je in discussie met een weerwoord en word je hier boos door.
   G Je speelt in een team. Als je iets tegen een ander zegt, doe je dit op een normale manier en gebruik je woorden die de ander begrijpt. Als iemand iets tegen jou zegt, kun je hier goed naar luisteren en dit accepteren.
   E Je speelt in een team. Als je iets tegen een ander zegt, kun je dit rustig met de ander bespreken. Als iemand iets tegen jou zegt, kun je dit rustig met de ander bespreken.
     
   

Inzet

    Tijdens de les ben je actief en gemotiveerd. Je hebt zin om te sporten en zorgt ervoor dat je dit de hele les ook doet.
     
   O Tijdens de sportles. Je zit vaak op de bank en doet vaak niet mee met de activiteit.
   B Tijdens de sportles. Je doet bijna altijd mee, maar niet actief.
   G Tijdens de sportles. Je bent altijd actief en gemotiveerd. Je biedt uit jezelf aan om te helpen.
   E Tijdens de sportles. Je kunt je enthousiasme overbrengen op anderen door anderen te stimuleren ook actief mee te doen of te helpen.
     
     Verantwoordelijkheid dragen
     
   O Je doet mee aan een spel. De anderen willen graag plezier aan het spel hebben en een goed resultaat halen. Jij verstoort hun plezier en werkt dit tegen.
   B Je doet mee aan een spel. De anderen willen graag plezier aan het spel hebben en een goed resultaat halen. Jij vindt dat niet belangrijk maar je doet wel gewoon mee.
   G Je doet mee aan een spel. Je spant je in om het spel voor jezelf en anderen prettig te maken en een goed resultaat te halen.
   E Je doet mee aan een spel. Je kunt anderen die minder goed zijn dan jij of het spel verstoren, stimuleren om hun best te doen.
     
    Samenspelen
     
  O Je speelt in een team. Je speelt nooit samen.
  B Je speelt in een team. Je probeert samen te spelen, maar dit lukt nog niet altijd. Samenspelen doe je vooral met je vrienden of met mensen die heel goed zijn.
  G Je speelt in een team. Je speelt altijd samen met iedereen in je team, ook als het spannend wordt in een wedstrijd.
  E Je speelt in een team. Je speelt altijd samen met iedereen uit je team, en kan anderen stimuleren dit ook te doen.
     
   
De volgende onderlegger niet meenemen bij het berekenen van het gemiddelde, maar gebruiken als bonuspunten of minpunten.
     
    Materialen
     
  O Tijdens de sportles. Je gebruikt materialen op een manier waar ze niet voor bedoeld zijn.
  B Tijdens de sportles. Je gebruikt materialen meestal op een manier waar ze voor bedoeld zijn maar voelt je er niet verantwoordelijk voor. Je brengt de spullen vaak niet terug naar de plek waar ze horen.
  G Tijdens de sportles. Je gebruikt materialen altijd op de manier waar ze voor bedoeld zijn. Je brengt ze ook weer terug naar de plek waar ze horen.
  E Tijdens de sportles. Je gebruikt materialen altijd op de manier waar ze voor bedoeld zijn en zegt er iets van als anderen dat niet doen. Voordat je begint regel je (samen) dat alle materialen aanwezig zijn en als je klaar bent regel je (samen) dat alles weer netjes opgeruimd is.
     
    HygiĆ«ne
     
  O Je gaat sporten. Je bent niet in het bezit van alle benodigde (schone en gewassen) kleding (en schoenen) en toiletartikelen.
  B Je gaat sporten. Je vergeet regelmatig benodigde (schone en gewassen) kleding (en schoenen) en toiletartikelen.
  G Je gaat sporten. Je vergeet (bijna) nooit de benodigde (schone en gewassen) kleding (en schoenen) en toiletartikelen.
  E Je gaat sporten. Je hebt altijd je benodigde (schone en gewassen) kleding (en schoenen) en toiletartikelen in een tas bij je.
     
     
     
     
     

Sport

    Bewegingsvaardigheden leren
    De bewegingsvaardigheden zijn de technieken die je doet met een sport (bijvoorbeeld onderhandse techniek volleybal, lay-up basketbal of salto).
   O  Je doet een sport. Het interesseert je niet als anderen jou willen helpen om beter te worden.
   B Je doet een sport. Je weet dat het beter gaat als je luistert en kijkt naar anderen die meer ervaring hebben. Je probeert jezelf te verbeteren (maar dit lukt nog niet altijd).
   G Je doet een sport. Je verbetert jezelf door te kijken en te luisteren naar anderen die meer ervaring hebben. Je volgt tips op en oefent de vaardigheden ook buiten het veld.
   E Je doet een sport. Je verbetert anderen met minder ervaring door te laten zien hoe jij het doet en door ze uit te leggen wat ze beter kunnen doen.
     
    Spelinzicht
    Spelinzicht is weten waar je heen moet bewegen in het veld, zodat je kunt aanvallen en verdedigen en weten waar de anderen in het veld staan en waar ze naar toe bewegen.
     
   O Je doet een spel. Het interesseert je niet of je vrijstaat of aanspeelbaar bent.
   B Je doet een spel. Je weet dat het beter gaat als je luistert en kijkt naar anderen die meer ervaring hebben. Je probeert jezelf te verbeteren (maar dit lukt nog niet altijd).
   G Je doet een spel. Je verbetert jezelf door te kijken en te luisteren naar anderen die meer ervaring hebben. Je volgt tips op.
   E Je doet een spel. Je verbetert anderen met minder ervaring door te laten zien hoe jij het doet en door ze uit te leggen wat ze beter kunnen doen.
     
    Instructies
   O Je doet een sport. Je luistert niet naar de instructies.
   B Je doet een sport. Je luistert naar de instructies. Wat je begrijpt doe je en wat je niet begrijpt doe je niet. Je stelt hier geen vragen over aan medeleerlingen of docenten.
   G Je doet een sport. Je luistert naar de instructies en stelt vragen als je iets niet begrijpt zodat je alle instructies goed uit kunt voeren.
   E Je doet een sport. Als anderen de instructies niet begrijpen en jij wel, help je met uitleggen of voordoen.
     
    Spelregels
   O Je doet mee aan een spel. Wat de spelregels zijn maakt je niks uit.
   B Je doet mee aan een spel. Je houdt je alleen aan de spelregels die je kent.
   G Je doet mee aan een spel. Je zorgt ervoor dat je de spelregels kent en past deze ook toe.
   E Je doet mee aan een spel. Je legt de spelregels indien nodig uit aan medespelers als zij de regels niet kennen.
     
    Organiseren
  O Je gaat een sport spelen. Het maakt je niks uit hoe de activiteit moet beginnen of je verstoort de organisatie.
  B Je gaat een sport spelen. Je doet wat anderen van jou vragen bij het organiseren van de activiteit maar neemt hierin zelf geen initiatief.
  G Je gaat een sport spelen. Je zorgt ervoor dat alles is geregeld voordat de activiteit kan beginnen. Je helpt met het maken van groepen en zorgt dat deze in balans zijn, regelt de materialen en zorgt dat iedereen op zijn plek staat
  E Je gaat een sport spelen. Je kunt anderen stimuleren om ervoor te zorgen dat alles is geregeld voordat de activiteit kan beginnen. Je kan het spel aanpassen zodat het beter loopt (bijvoorbeeld groepen aanpassen, speelveld groter of kleiner maken). Je geeft ook anderen de kans om groepen te maken.
     
    Beoefenen van meerdere sporten
    Als je kunt kiezen welke sport je gaat doen, maak je je keuze niet alleen op basis van wat je leuk vindt, maar je kiest voor een sport waar ruimte is of je kiest ervoor om een sport te leren die je niet zo vaak doet.
     
  O Tijdens de sportles. Binnen de sportlessen doe je alleen waar je zin in hebt.
  B Tijdens de sportles. Je wisselt soms van sport, maar kiest nog vaak voor wat je leuk vindt.
  G Tijdens de sportles. Je wisselt regelmatig van sport uit jezelf.
  E Tijdens de sportles. Je wisselt regelmatig van sporten en neemt anderen hierin mee om ze deze (nieuwe) sport te leren.
     
    De volgende onderlegger niet meenemen bij het berekenen van het gemiddelde, maar gebruiken als bonuspunten of minpunten.
     
    Meerdere rollen aannemen (scheidsrechter, coach, puntenteller, hulpverlener)
  O Tijdens de sportles. Je neemt nooit een andere/extra rol op je.
  B Tijdens de sportles. Je neemt initiatief om andere rollen op je te nemen. De uitvoering lukt nog niet altijd goed.
  G Tijdens de sportles. Je kunt de rollen goed vervullen
  E Tijdens de sportles. Je kunt anderen coachen om hun rollen goed te vervullen.