Wereldoriƫntatie

    Nederland 
   
 

Je wijst Nederland aan op een wereldkaart.
Je weet aan welke zee Nederland ligt.
Je kent de hoofdstad van Nederland.
Je kent de Nederlandse provincies.
Je weet hoeveel mensen er in Nederland wonen.
Je weet wat de Randstad is.

    Je weet in welke soorten woningen er in Nederland zijn.
Je weet hoe over trouwen en samenwonen wordt gedacht.
Je weet welke gewoonten er zijn bij een trouwerij.
Je weet welke gewoonten er zijn bij de geboorte van een kind.
Je weet hoe verjaardagen gevierd worden.
Je weet welke gewoonten er zijn bij overlijden.
  G
 

Je kent de hoofdsteden van de provincies.
Je kent de belangrijke rivieren.
Je weet welke landschappen er zijn in Nederland.
Je weet hoe Nederland tegen overstromingen beschermd wordt.
Je weet hoe de vier seizoenen verlopen.

    Je weet dat er veel verschillende godsdiensten in Nederland voorkomen.
Je kent de namen van de belangrijkste godsdiensten.
Je weet wat de christelijke feestdagen zijn.
Je weet wat de nationale feestdagen zijn.
Je weet welke feesten door veel mensen gevierd worden.
   E   
 

 

Je weet welke klimaten er op aarde voorkomen.
Je weet wat voor klimaat Nederland heeft.
Je kunt de landen van Europa op een kaart aanwijzen.
     
     Staatsinrichting
   B  
    Je kunt uitleggen wat een democratie is.
Je weet wat het parlement is.
Je kunt uitleggen wat de Eerste Kamer doet.
Je kunt uitleggen wat de Tweede Kamer doet.
Je weet wat de regering is.
Je kunt drie dingen noemen die het staatshoofd doet.
Je kunt twee grondrechten noemen uit de Grondwet.
   G  
  Je kent de betekenis van regering, minister, minister-president en staatssecretaris.
Je weet waar de Nederlandse wetten vandaan komen.
Je weet wat de betekenis van Prinsjesdag is.
Je legt uit wat politiek rechts is.
Je legt uit wat politiek links is.
Je kunt vijf politieke partijen noemen.
Je weet wat de verschillen zijn tussen de grootste politieke partijen.
Je kunt uitleggen hoe het kiesrecht werkt.
Je weet hoe een nieuwe regering wordt gevormd.
   E  
  Je weet wat een Commissaris van de Koningin doet.
Je weet hoe de Provinciale Staten worden gevormd.
Je weet hoe provinciale besturen werken.
Je weet wat een burgemeester doet.
Je weet hoe een gemeenteraad wordt gevormd.
Je weet wat het College van Burgmeester en Wethouders is.
Je weet wat de wethouders doen.
     
      Immigratie
   B  
    Je weet wat een migrant is.
Je weet wat een vluchteling is.
Je weet wat een asielzoeker is.
Je weet wat een gastarbeider is.
Je weet wat gezinshereniging betekent.
Je kent de belangrijkste redenen waarom mensen naar andere landen verhuizen.
Je weet wat een verblijfstatuut is.
   G   
  Je weet wat integratie is.
Je weet wat welzijnsinstelling zijn en wat ze voor migranten doen.
Je weet uit welke landen de meeste vluchtelingen komen en waarom.
Je weet waarom gastarbeiders in de jaren vijftig en zestig naar Nederland kwamen.
Je weet waarom gastarbeiders vanaf eind jaren zeventig niet meer zo welkom waren in Nederland.
Je weet waarom bepaalde groepen uit Nederland weggaan.
   E   
  Je kent het begrip multiculturele samenleving.
Je weet wat vooroordelen zijn.
Je kunt uitleggen wat discriminatie betekent.
Je weet wat racisme is.
Je kent het verschil tussen discriminatie en racisme.
Je weet wat het begrip tolerant betekent.